Pogetum vallis
By M'Arqouz | December 7, 2011
Pogetum vallis is de Latijnse oorsprong van de naam van het dorp Le Poët Laval. Het verwijst naar een “verhoging in het midden van een grotere vallei”. De huidige Franse benaming heeft dus niets te maken met het Franse woord voor dichter, maar is wellicht ontsproten uit het dubbelzinnig geïnspireerde brein van Romeins geograaf met pbms-ideeën avant-la-lettre.
Recentere en meer gedetailleerde, maar evenwel minder poëtische geografische informatie over Le Poët Laval staat hieronder in de tabel.
En niet zonder gewichtige reden!
Hier werd immers op 2 augustus 2011 om 15u.43 een daad gesteld die perfect kadert binnen de doelstellingen en de grensoverschrijdende eindtermen van de internationalisatie van PBMS.
Hieronder, dezelfde geografische informatie voor dummies.
Hoog gelegen op een steile helling, torent een middeleeuws kasteel uit boven de daken van Le Poët Laval, de majestueuze donjon uit de 12de eeuw van de voormalige commanderij, ooit bezit van de Maltezer ridders.
Hier vonden pelgrims rust, op weg naar het Heilige Land.
Hier dronk Linke Leo bier en Mottige Mol een rosé, uitrustend na een bezoek aan dit kasteel.
Vanop de “verhoging in het midden in een grotere vallei” zie je dit: onderaan links op de foto, 2 witte vlekjes in de tuin van een huis… Twee van de vele tafeltjes waar aan één ervan de Leo en de Mol hun alcoholische consumpties verbruikten. (De rest van het landschap is ook best oké.)
“Eerst dienst. Dan snaps!” en zodus ging M’Arqouz eerst op zoek naar een geschikte lokatie voor het PBMS-token. Vanop de donjon van het kasteel zag hij een boom, en wees ernaar (zie foto hieronder).
Daar beneden, op het achterplein, in de spleet (d.i. een ruimte die hoger is dan breed, of omgekeerd) van de schors van dié boom, bevond zich de uitverkoren plek. Hierboven op de toren van de donjon… dat zou te gemakkelijk geweest zijn.
Het PBMS-token, een voorbeeld van petro-calligrafische kunst, dé specialiteit van de internationalisators van pbms.
Waar is da spleetje? Daar is da spleetje!
Het is volbracht. ‘t Is te zeggen: op de foto zie je dat het wordt volbracht.
Drink allen ook dit. Doe dit om ons te gedenken.
Amen!
Topics: Beeldmateriaal, Internationalisering | Comments Off
Ons dak is gepolijst!
By L’Üdeaux | February 14, 2011
Vanmorgen toen ik op het werk aankwam zag ik dat twee werkmensen bezig waren aan ons dak. Na een week ziekte nam ik aan dat de verklaring over deze arbeid wel ergens binnen te vinden zou zijn.
Dit was dus niet het geval. Het gevoel ’de bazen vertellen mij nooit wat’ zorgde er voor dat ik er verder geen aandacht aan schonk. Wat niet weet, niet deert, zo waar.
De ochtend kroop voort, het geluid der werklieden ook.
De nieuwsgierigheid steeg per klop van een drilboor. Geduld is niet mijn sterkste kant.
Een moment later stapte ik triomfantelijk terug binnen in de winkel. Vol trots, kon ik mededelen, dat het dak gepolijst werd. Mijn collega trok een vragend gezicht.
Het polijsten van een dak bevordert de water afloop, zeker van een licht glooiend plat winkeldak. Dit lijkt mij toch volledig logisch, een glad oppervlak bevordert het rollen van de druppels naar lager gelegen gebieden.De lekken van deze winter hadden al genoeg ellende veroorzaakt.
Ze bleef me sceptisch aan kijken. Nog nooit had ze gehoord van gepolijste daken en ze kon het weten want haar ex-man zat in de bouw. Het geluid van een pneumatische hamer leek niet direct op het zacht wrijven over een effen vlak.
“Toch wordt het gepolijst.” hield ik vol.
Dus ik had mijn jas aangetrokken en ging naar buiten. Aldaar trof ik de twee werklieden aan. De ene op het dak, de andere op de stelling die voor het gebouw stond. Ik moet toegeven dat je zag dat het geen Belgen waren. Maar we zijn een Europese gemeenschap of niet?
“Wat zijn jullie aan het doen?” riep ik hen toe. Stellingman (of moet het stellingmens zijn?) draaide zijn hoofd naar mij, keek mij aan en keerde zich naar zijn collega. Hieruit maakte ik op dat ze mij niet goed hadden verstaan. Met iets meer volume herhaalde ik de vraag “Wat zijn jullie aan het doen?”. De kerel op de stelling keek mij terug zoals voorheen aan en draaide zich wederom naar de arbeider op het dak. Je zag duidelijk dat de man hoger geplaatst was dan de vent op de stelling. De baas nam zijn verantwoordelijkheid en beantwoordde mijn vraag.
Hij riep “POLISH”.
Waarom hij zijn schouders optrok, begreep ik niet want het antwoord was heel duidelijk.
Topics: Absurdismen, Verbaal geweld, Verhalen, Vrije Tijd | Comments Off
De kabouters vliegen erin …
By L’Üdeaux | October 9, 2010
Dit najaar ben ik nog wat gaan stappen in de bossen van de Ardennen. Als er een ‘Indian Summer’ heerst zoals deze dagen het geval was, moet je niet twijfelen. Wandelschoenen aan en strekken die benen en liefst in deze volgorde anders is de aanschaf van het schoeisel iets wat overbodig. Tenzij u graag thuis zo rondloopt.
Een boswandeling was dus op zijn plaats. Genieten van de rust, het ruisen der bladeren, het klateren van het water in de rivier, hand in hand lopen met je geliefde. ‘Name it, we did it’ zouden onze engelse vrienden zeggen indien wij ze hadden.
De zon gooit haar stralen rijkelijk in het rond. De temperatuur klimt naar een behaaglijke twintig graden. De regen van de voorbije weken lijkt ver weg.
Het fototoestel in aanslag, trekken wij door de kleurrijke bossen van onze Belgische Ardennen. De warme tinten van de herfst omringen ons. De vogeltjes zingen hun mooiste lied. Biddend speurt de buizerd naar zijn volgend maal.
Mijn eega wijst op een stevige paddestoel. Zonder nadenken leg ik hem vast op de gevoelige … plaat wou ik zeggen maar het is een SD-kaart.
Nog voor ik de foto digitaal kan bekijken roept mijn vrouw dat daar ook een mooie zwam staat. En daar nog één en nog één én …
We worden overrompeld door het aanblik van diverse boscantharellen.
Stilaan daagt het mij. De kabouters zijn er wel degelijk ingevlogen. Hele metropolen zijn ogenschijnlijk in één nacht opgetrokken. Volledige wijken verrijzen op omgevallen boomstammen. Luxueuze penthouses sieren boomstronken. De hangende tuinen van Babylon zijn niets vergeleken bij de bouwkunst der puntmuts dragend wezens. Sommige champignons lijken mij onbewoonbaar. Je ziet zo dat er schimmel aan de muren hangt. Heel ongezond voor het kleine volkje.
Ik blijf mijn hoofd breken over de vraag waarop deze vlaag van wildbouw gestoeld is. Het is inderdaad vochtig geweest met aansluitend mooi en zacht weer. Zelfs in het journaal werd gewag gemaakt van een grote oogst aan paddestoelen met het gevolg dat de gifverschijnselen bij mensen evenredig was gestegen. Zeg nu zelf, u laat uw woning niet zonder slag of stoot afbreken, laat staan opeten.
Wettige zelfverdediging is de enige goede uitspraak voor de kabouterpopulatie, mocht het tot een rechtszaak komen.
Het woord ‘kabouterpopulatie’ blijft in mijn gedachten hangen. Populatie … copulatie … nageslacht. De woorden treffen mij als een bliksemschicht. Dat is de verklaring van al deze constructiewerken in het wildseizoen (vandaar wildbouw).
Kabouter Pinnemuts heeft dus niet enkel op zijn paddestoel zitten wippen. Nee, en hij was ook niet alleen. Uiteraard niet, er was ook een kaboutervrouwtje bij natuurlijk. Ik bedoel echter dat verschillende kabouterkoppels in de weer zijn geweest om voor kleine aardmannekes te zorgen. Het is algemeen geweten dat de gnomen lang bij hun ouders blijven wonen maar als de jeugd dan zelf spruiten krijgt, dan is het kot te klein. In de letterlijke betekenis dan, op een paar uitzonderingen na.
Mijn kennis over kabouters is beperkt maar als ik mij niet vergis dan zal er over een vijftigtal jaar een overschot aan kabouters zijn om de klussen op te knappen.
Wij zijn dan allemaal werkeloos of op pensioen, kortom we komen werk te kort en dan gaan die kobolden met onze klusjes lopen.
Wat nu een klein probleem lijkt zal dan uitgroeien tot een nationale crisis. Dank zij mijn vooruitziende blik kan het euvel hopelijk nog verholpen worden. Er dient ogenblikkelijk met de nodige zorg de onderhandelingen te starten. Als men ziet hoe lang het duurt om een regering te vormen en dat tussen landgenoten laat staan hoe lang het zou duren tussen twee rassen.
Met nog achttienduizend tweehonderd en drieënzestig dagen voor de boeg moet er toch een oplossing inzitten.
Wie weet heeft kabouter Thomasj nog enkele ideeën.
Topics: Uncategorized | Comments Off
Kabouters bestaan niet!
By L’Üdeaux | April 23, 2010
Deze boute uitspraak kan alleen maar komen van de volwassen mensen wereld. Het is niet omdat je iets niet waar neemt dat het er niet is.
Het gedrag van de kabouters, ze zijn niet tuk op zichtbaarheid laat staan ‘over-exposure’, versterkt alleen dat gevoel.
Bij monde van kabouter Thomasj, maken wij op dat de kabouter wereld niet is opgezet met de hele affaire.
“Inderdaad, in het verleden hebben wij ons altijd van onze taken gekweten. Wij waren trots dat we de mensen konden dienen. Nooit of te nimmer zijn wij onze verantwoordelijkheden uit de weg gegaan. Helaas, is het vandaag de dag andere koek.”
Gelaten laat onze kabouter zijn hoofdje hangen. Vaag kan ik een onderdrukt gesnik waarnemen.
Het is niet gemakkelijk om een kabouter van vijftien centimeter te interviewen. Als wij de materie onder de loep nemen voelen zij zich beledigd. Natuurlijk zijn zij zich bewust van hun kleine gestalte maar het risico op brandwonden is veel te groot, zeker als de zon schijnt. ‘s Nachts afspreken is ook niet aan de orde omwille van het feit dat ze dan hun taken uitvoeren maar ook omdat het donker is en daar kan geen vergrootglas tegen op, je ziet ze gewoon niet. Het vak van journalist gaat niet over rozen. Dit even terzijde.
“Vroeger, ik spreek nu van een vijftig jaar geleden, dan kon één van de ouders nog thuis blijven voor de kinderen en werd het meeste huishoudelijke werk door hun gedaan en wij konden ons concentreren op de tuin, de omgeving van de woning.
De naoorlogse euforie was nog niet weg geëbd. Werk in overvloed. Te veel zelfs, de partners moesten mee gaan werken om het gedaan te krijgen. Kleine huishoudelijke taken bleven liggen. Kinderen hielpen mee in het huishouden en wij pakten bepaalde werkjes over. Als de mama of papa dan vroeg wie dat gedaan had, kregen ze steevast het antwoord ‘de kaboutertjes’. Wat ook niet gelogen was. Het jonge grut zag ons in actie.
Wij waren trots op onze ijver, inzet en resultaat. Al fluitend trokken wij naar het werk. Fluiten is wel sterk uitgedrukt want het klinkt meer als getsjirp van krekels. Maar des al niet te min, we waren opgetogen.
Helaas ging het zachtjes aan van kwaad naar erger. De ouders compenseerde, uit schuldgevoel omdat ze steeds gingen werken, hun afwezigheid met speelgoed. Dit ging voor een tijdje goed. Sommige kinderen kregen door dat dergelijke situaties hun macht gaf over hun ouders. Ze eisten meer speelgoed.
Andere kinderen beseften dat speelgoed geen vervanging kon zijn van ouder-liefde, -aanwezigheid.
De huishoudelijke taken kwamen meer en meer op onze nek terecht.
Wij zijn harde werkers, daar niet van, maar er zijn grenzen. Als het niet kan dan kan het niet. Punt. Uit.
U moet beseffen dat de aanwas van kabouters veel trager verloopt dan bij mensen. Die kweken, bij wijze van spreken, als konijnen. Elke twintig jaar is er een nieuwe generatie. Bij ons is dat om de vijftig jaar. Kan u zich dat voorstellen?
De taken groeiden ons boven het hoofd. Hoe hard wij ons best deden, er schoot werk over.
Vanuit die tijd komen de uitdrukkingen ‘Waar zijn de kabouters als je ze nodig hebt?’, ‘De kabouters zullen het niet doen, zene!’ en ga zo maar door.
Het geloof in ons kreeg rake klappen.”
Er valt een stilte. Het frêle wezen staart naar de punten van zijn schoenen. Ik krijg zowaar compassie met hem.
Hij richt zijn hoofd naar mij op. In zijn ooghoeken welt wat vocht op als hij verder gaat.
“En moest het daar bij blijven, het zou te dragen zijn maar als je weet dat alle fantasie-figuren ook nog eens aanspraak op ons kunnen maken. Het is niet te doen, gewoon. Pak nu vorige maand, rond de klok van Pasen. Enkele jonge klokken wisten de klepel niet meer hangen, ze waren hun spel kwijt. Ze zaten met een ei, schrik om de gevolgen. Geen uil die van iets wist. En naar wie komen ze dan. Juist, naar bibi.
Enfin, met Pasen was alles in orde. Maar daar kruipt wel tijd in, kostbare tijd. En wat brengt het allemaal mee? Stress! Weet je wat er dan gebeurt als een kabouter stress heeft? Ik verwacht geen antwoord dus zal ik het u zeggen. Ze worden doorschijnend! Wat het gerucht dan versterkt. Hetgeen men niet ziet , bestaat niet. Uit het oog, uit het hart. Dit brengt dan nog meer stress mee. Ik smeek u in naam van het kaboutervolk GELOOF IN ONS.”
De laatste woorden breken met vol geweld uit zijn lichaam. Ik wil met mijn hand bemoedigend op zijn schouder kloppen maar geraak niet zo ver. De verhouding van mijn hand en zijn schouder doen mij de handeling staken. Ik probeer iets bemoedigend te zeggen maar ik mompel slechts.
Geloof is een machtig medium. Wat ik u, lezer, wil vragen is wees overtuigd dat kabouters bestaan en als je er één ziet lach dan even. Heden ten dage kunnen wij dat goed gebruiken.
Topics: Absurdismen, Verhalen, Vrije Tijd | Comments Off
Als een roosje …
By L’Üdeaux | February 23, 2010
Kabouter Thomasj geeuwde ontzettend hard en rekte zich tot in het oneindige uit. Smakte een paar maal met zijn mond om te constateren dat deze droog was. Slaapdronken keek hij rond. Bij een blik op zijn klok was de desoriëntatie op slag verdwenen.
Vol ongeloof pakte hij het uurwerk op, hield deze vlak voor zijn ogen. Het scherm bleef dezelfde tijd aan geven: zestien februari tweeduizend en tien, rond de klok van tienen.
Voor zijn part had het zelf rond de klok van St-Truiden mogen zijn, het veranderde niets aan het feit dat het al de zestiende van de tweede maand was, de dag dat kabouterin Velma jarig was.
Drieëntwintig januari was stilletjes voorbij geslopen, totaal onopgemerkt. Hoe had dit kunnen gebeuren? Een uitgeslapen kerel, zoals hij was, stond nu voor raadsels. Hij stapte de living rond om zich te herinneren wat hij had gedaan: Arthur te slapen gelegd, dennenappel versierd, tasje thee met bosvruchten gemaakt, open haard aan gestoken. Hij vinkte alles af op zijn vingers. Het antwoord bleef echter uit.
De theepot stond nog op het bijzettafeltje. De inhoud was echter verdampt, wat eigenlijk niet zo moeilijk was met de centrale verwarming aan. ‘Geen probleem’ dacht onze kabouter ‘ een iets of wat wetenschapper kan zelfs in de aanslag van de pot nog resten van een slaapmiddel vinden’.
Thomasj trok zijn jas aan, wierp een sjaal om en trok zijn wanten aan. In een gerecycleerde plastic tas, naar zijn maten aangepast, werd de theepot gestoken.
De meeste sneeuw was gesmolten en de kabouterarts woonde op enkele eikel worpen van zijn deur. Een steen zou hij nooit zover kunnen werpen.
Met zijn kleine beentjes ploeterde hij door de overgebleven sneeuw. Aangekomen bij de dokter klopte hij driemaal op de deur.
Piepend draaide de deur open. Een schriel, voorover gebogen kabouter keek hem aan, over het neusbrilletje heen. Zijn lange witte baard reikte tot aan de knieën en met een riem, voor de veiligheid, aan het frêle lijfje gebonden.
“Kom snel binnen” kraste hij kranig “Wat kan ik voor jou betekenen?”
Voorzichtig haalde Thomasj zijn theepot uit het plastic zakje.
‘Dank je, jongen, maar ik hou het op een goede tas koffie in de ochtend. Niks beter dan een kop zwart goud om de trillende handjes stabiliteit te geven’ interpreteerde hij de situatie verkeerd. Om zijn betoog kracht bij te zetten stak hij zijn twee handen voor zich uit. Een aardbeving van zeven op de schaal van Richter kon de vergelijking aan.
‘Neenee, dat is het niet’ reageerde Thomasj. Met verve legde de kabouter uit dat hij van ‘lengen’-avond tot vanmorgen had geslapen. Hoe hij er ook over nadacht dit kon alleen maar gebeuren wanneer iemand een sterk narcoticum in zijn drank had gedaan. Het verwonderde hem ook dat het niet leek dat hij zolang had geslapen. Er was geen honger gevoel of niets.
De arts glimlachte begripvol. Op het moment dat hij zijn vinger omhoogstak om het uit te leggen, vloog de deur open.
Een bulderstem weerklonk ‘Briesende Brakende Bruiden, wat een weer, zeg’.
‘Ha Cyriel,’ antwoordde de dokter’ dat mag je wel zeggen, echt winterkoude maar het gaat straks dooien. Zet je daar eventjes neer. Ik kom direct.’
Thomasj s gelaat bleek een en al vraag te zijn. De oude kabouter verklaarde zich nader. ‘Cyriel houdt niet van afkortingen en in plaats van brbrbr te zeggen riep hij wat je daarstraks hoorde. Zijn stelling is dat er, in onze taal, te veel afkortingen zijn. Een taal moet leven niet gekortwiekt. Binnenkort weet je niet meer of er een woord staat of een afkorting.’
‘Zo is het maar net,’ bromde Cyriel vanachter een weekblad ‘ Als ik ‘vlekjes’ lees of hoor, bedoelen ze dan echt vlekjes of veel liefs en kusjes. Ik ben maar tot mijn 78 jaar naar school geweest. Ik wil duidelijkheid!’ Nors stak hij zijn snuit dieper in het boekje.
‘Bon’ ging de dokter verder ‘om op jou probleem terug te komen. Je moet weten dat wij in onze contreien afstammen van tuinkabouters. Wel nu, lang voor onze tijdrekening was er onze pre-tijdrekening. De tuinkabouters werkten in de tuin zoals ze altijd deden en nu nog steeds doen, harken, wieden, besproeien en nog veel meer. Maar wanneer de winter er aan kwam kon men niet veel meer doen. Alles was bevroren, koud en levenloos. De sappen - stroom in de planten viel stil. De kabouters werden technisch werkloos.
Om de tijd te doden, pleegden alle kabouters een dutje. Ze namen het avondmaal en gingen dan slapen. ‘s Morgens sliepen zij uit. Het ontbijt was de eerste maaltijd die weg viel. Toen volgde het avondmaal. Een era later viel ook de lunch weg. De kabouters sliepen toen van eind december tot midden februari. Een logische evolutie, me dunkt.
Door de ontwikkeling van serres en betere technieken in de tuinbouw geraakte deze gewoonte in verval. Tuinkabouters konden het hele jaar doorwerken.
Maar af en toe gebeurt het dat een enkele kabouter in deze gewoonte hervalt. Dit jaar was jij aan de beurt. Het duurde wel enige tijd voor we doorhadden dat jij in hibernatie was gegaan. We zijn vanaf toen regelmatig komen kijken of alles in orde was. Wel hebben we alles gelaten zoals het was. Ten eerste om je niet te verontrusten als je wakker werd en ten tweede om geen valse beschuldigingen te krijgen zoals ‘het zullen de kabouters weer gedaan hebben’.
Wat het slapen dus betreft, hoef jij je geen zorgen te maken. Het gen dat dit veroorzaakt zit in elke tuinkabouter latent aanwezig tot het zin heeft zich eens te manifesteren. Boskabouters hebben dit gen niet want een bos is er het hele jaar rond. Huiskabouters hebben ook altijd hun klusjes, hibernatie komt bij hen niet voor.’
Kabouter Thomasj keek de oude gnoom aan. ‘Als ik het goed begrijp kan mij dit nog overkomen? Hoe stelt u dan uw diagnose?’
‘Simpel, als je na twee weken niet ligt te rotten dan ben je in een winterslaap. Alle lichaamsfunctie schakelen over naar laagste versnelling. Om op je eerste vraag te antwoorden, ja, het kan dus nog eens voorvallen. Deze toestand is vooral stress gerelateerd. Hoe minder druk je voelt, hoe gemakkelijker je slaapt als er niets te doen valt.’
Opgelucht bedankte onze kabouter de arts voor de wijze toelichting op het gebeuren. De theepot werd weer in de zak gestoken, de winterkledij aangetrokken. Thomasj stond op het punt de deur te openen wanneer de dokter hem terugriep.
‘Ik moet je nog feliciteren met het versieren van jou dennenappel. De mooiste die ik ooit gezien had sinds jaaaaaren. Kabouter Désiré heeft er zelfs een schilderij van gemaakt en iedereen in het dorp is jou appel komen bekijken.’
Thomasj straalde en glunderde wanneer hij buiten stapte. De winter had hij niet verloren maar eerder een jaar gewonnen want iedereen had uiteindelijk zijn prachtig versierde dennenappel bewonderd.
Topics: Verbaal geweld, Verhalen, Vrije Tijd | Comments Off
Eigen wijze gezegden.
By L’Üdeaux | January 6, 2010
Na het PBMS-woordenboek (bijdragen hiervoor nog steeds welkom) presenteren wij u het PBMS boek der gezegden. Zie hier de eerste lading. Waarschijnlijk omdat vandaag de drie wijzen werden gevierd.
“Hoedt u voor teveel zout in de winter, het kan u een gepeperde rekening op leveren.”
“Wie de seizoenen niet kan eren, zal het gezaag erover niet kunnen weren.”
“Wie vrijaf neemt, heeft meestal veel om handen”
“Als het buiten vriest dat het kraakt, wordt binnen warme chocolade melk gemaakt.”
“Blijf je slapen tot de noen, moet je nog een halve dag doen.”
“Wanneer in 2012 de wereld niet vergaat, zijn de ruiters van de Apolcalyps te voet op straat.”
“Wie een steen gooit, heeft er meestal één gevonden.”
“Wie zich bewust is van zijn bewustzijn is bewust een bewust mens.”
Topics: PBMS-Woordenboek, Verbaal geweld, Vrije Tijd | Comments Off
Midwinter verhaal
By L’Üdeaux | December 23, 2009
Het jaar was al ver gevorderd, de bomen hadden hun bladeren verloren en de zon kwam niet meer zo hoog.
Het eindejaar bleek een mooie tijd. De lage temperaturen zorgden ervoor dat de miezerige regen veranderde in prachtige witte sneeuwvlokken die zachtjes neer dwarrelden op de groene naalden van de spar. Onder het dikke sneeuwtapijt lag het bos vol dennenappels.
Kabouter Thomasj zou voor het ‘lengen’-feest dit jaar de mooiste dennenappel bezitten.
Een klein probleem drong zich echter op, want zoals u misschien nog weet, is onze kabouter slechts vijftien centimeter hoog en de verse sneeuw lag dertig centimeter dik.
Het kleine volkje laat zich echter niet snel van de wijs brengen en zeker Thomasj niet. Tijdens de vorige sneeuwval had hij ondervonden dat de ijzige neerslag een echt euvel kon zijn om in zijn dagelijkse behoefte te voorzien. Laat staan, in het vinden van een mooie opengesperde dennenappel voor het feest waarna de dagen weer gaan lengen.
Een bol rode saai (= wol voor de jongeren onder ons. Welke kleur die bol ook had als je er uren naar staarde gebeurde er niets. Het was gewoonweg saai, vandaar de naam.) was al de helft van de oplossing. De andere helft bleek Arthur te zijn. Arthur, Tureke voor de vrienden, is een grijze mol die Thomasj heeft als huisdier. Mollen houden echter een winterslaap zodat hij op het moment dat hij gebruikt kon worden, in diepe slaap verzonken zou zijn.
De kabouter had ergens in een boekje gelezen dat mensen die naar het oosten vliegen last hebben van jetlag wat er eigenlijk op neer kwam dat je uit je natuurlijk lichamelijk ritme gaat. Je kon echter je lichaam, volgens de geciteerde professor, herprogrammeren.
Het plan was eigenlijk eenvoudig in zijn genialiteit. Tijdens de herfst had kabouter Thomasj reeds een mooie, grote dennenappel uitgekozen. Hieraan had hij het ene uiteinde van de bol wol geknoopt en was huiswaarts gekeerd. Daar had hij het andere uiteinde aan de kapstok gebonden.
Arthur was, zoals de natuur beveelt, in zijn holletje aan zijn hibernatie begonnen. Tot enkele weken geleden zijn baasje lichtjes maar stelselmatig de temperatuur in zijn holletje naar boven dreef. In de tussentijd vervaardigde Kabouter Thomasj een jasje, muts en aangepaste laarsjes voor zijn molletje.
Enkele dagen geleden opende Arthur zijn oogjes. Thomasj kon zijn geluk niet op. “Tureke, jongen, ik ben blij dat je wakker bent. Kijk eens wat ik voor jou gemaakt heb.” Prompt kleedde hij de mol aan met de aangepaste kledij. Arthur liet een een kleine grom ontsnappen maar bleef voor de rest rustig, in de veronderstelling dat het een kwade droom was.
“Arthur, wij gaan een spelletje spelen. Het heet volg de rode draad. Als ik de warm water kruiken in de zakken van je jasje heb gestoken, mag je vertrekken.” De jaszakken waren nog maar net gevuld en de kabouter trok de deur open. De rode draad verdween in de witte muur. Arthur kroop naar voor, snuffelde even. Een kleine por van Thomasj zette de mol in beweging. Hij groef een gang in de sneeuw.
De mol werkte gestadig voort, de rode draad volgend. Het feeërieke , blauwachtige licht deed de kabouter bijna een sprong van blijdschap maken ware het niet dat de gang geen hoge sprongen toeliet. Al een geluk dat hij een grote pompon op de muts van Arthur had gemaakt, anders had hij moeten kruipen.
Binnen het uur waren zij aan de dennenappel. Thomasj liet zijn huisdier langs de appel graven zodat deze vrijkwam. Door het vocht was de dennenappel volledig dicht wat het transport uiteindelijk vergemakkelijkte. Eénmaal in een droge woonkamer zou het in al zijn pracht terug open komen te staan.
Met de onderzijde voorwaarts gericht, stuwde Thomasj en Arthur de appel huiswaarts. In geen tijd waren zij thuis. De kabouter ontdeed de mol van zijn kledij, gaf hem een paar regenwormen en liet hem terugkeren naar zijn winterrust.
De dennenappel werd in het salon neergepoot vlak naast de open haard. Tegen de avond stond de appel mooi open en kon het versierd worden. De, in de zomer gevangen, glimwormen konden ontdooit en in de boom geplakt worden. Glimmende ballen werden opgehangen en zilveren spinrag diende als engelenhaar. Op het einde stapte kabouter Thomasj wat achteruit en bewonderde zijn werk. Een traan van ontroering rolde over zijn kaak naar beneden. Hij had voorwaar de mooiste dennenappel van de kaboutergemeenschap.
Alleen kon niemand anders dit bevestigen want Arthur sliep weer zijn vredige winterslaap en kon geen gang meer graven. Enfin, volgend jaar beter.
Topics: Absurdismen, Verbaal geweld, Verhalen, Vrije Tijd | Comments Off
Het zicht
By L’Üdeaux | November 24, 2009
Vreedzaam lurkte Kabouter Thomasj aan zijn pijp. Het leek op zo een stenen geval waar de kinderen vijftig jaar geleden nog zeepbellen mee bliezen. Dit rookgerei was naar zijn gestalte ontworpen. Voor de gelegenheid deze maal gevuld met nederwiet.
Dit mag u niet verwarren met het nederwiet in de grote mensenwereld? Bij het kleine volkje gaat het om een rookkruid dat nogal laag bij grond groeit, kwestie om het gemakkelijk te kunnen oogsten. Er wordt ook geen andere bestanddelen aan toegevoegd om het bijvoorbeeld verslavend te maken of om naar andere geestelijke niveaus te stijgen. Voor dit laatste dient men ‘zwamwijn’ te drinken, liefst die van tachtig procent.
Daar zat hij dus rustig op zijn bankje voor de deur. Geen tovenaar die hem kwam storen. Het leven kan mooi zijn op zulke momenten.
De zon scheen, De vogeltjes sjirpten een vrolijk lied en de konijntjes huppelden gezellig op en neer. Eigenlijk huppelden ze niet maar ze gingen wel op en neer. Enfin, het was een zalige, warme lentedag.
Vijf uur later waren de condities van deze situatie nog altijd van toepassing. Het gras was weliswaar wat gegroeid en de tektonische platen wat verschoven, niet echt merkbaar maar toch.
Eén element was er bijgekomen. Op twee meter van hem was een blauwe ijskoude brok op de aarde neer geploft. De bol “crème-glace”, want zo noemde het onding, hij had dat vernomen door een stem die uit de hemel sprak “Carla, godverdomme, let toch op met die crème-glace”, had een stuk of dertig mieren verpletterd. De overlevende waren tot staan gebracht wat een opstopping tot gevolg had. Het dreefje met de geurende bloemen, kortweg de welriekende dreef genoemd, zat volledig dicht.
Na enige studie bleek een mier, langs de uitdeinende ijsplas, een pad gevonden te hebben dat naar de oorspronkelijke loop zou leiden. Langzaam kwam de mierenhoop terug in beweging.
Minder zwaar beladen mieren poogden wat druppels gesmolten smurfenijs mee te sjouwen. Dit lukte door een stukje blad als schep te benutten. Zoetigheid kan je nu eenmaal niet links laten liggen. Vooral omdat langs de rechterzijde van de bol een grote afgebroken tak was gevallen.
Vanaf zijn bankje bekeek de kabouter het tafereel gelaten en stopte zijn pijp voor de vierde maal. De zon had de afdaling ingezet en bereikte de toppen van de grassprieten. De mieren zaten terug op tempo, de ijsbol was nagenoeg verdwenen en de plas trok langzaam in de grond. Krekels hadden het gesjirp van de vogels overgenomen. De konijnen werden weer holbewoners.
Vreedzaam lurkte kabouter Thomasj aan zijn pijp. De hele dag had hij daar gezeten. Weer een zalige, warme lentedag was voorbij. Een heerlijke, heldere lentenacht brak aan maar dat zou voor een andere keer zijn want te veel genieten kan je gezondheid schaden. Af en toe moet je nog slapen en eten en drinken en … maar daar moet je met twee voor zijn.
De kabouter klopte zijn pijp uit op zijn schoenzool en trad zijn rode paddestoel met witte stipjes, dat hij van Spillebeen gekocht had, binnen.
Topics: Absurdismen, Verhalen, Vrije Tijd | Comments Off
Film Noir
By L’Üdeaux | October 23, 2009
Daar loop ik dan met mijn hoofd tussen mijn schouders getrokken. De regen gutst in bakken uit de hemel. ‘Katten en honden’ zoals ze in het engels zeggen. Mijn kraag hoog opgetrokken langs mijn oren. Toch sijpelt het water, langs slierten van mijn haar dat tegen mijn hoofd plakt, in mijn nek.
Tussen de uitdeinende golfjes, veroorzaakt door de regendruppels, zie ik de weerspiegeling van de kathedraal. Anderhalve gotische toren beschenen door felle lichten. “Antwerp by night” heeft - godverdomme - zoveel licht niet nodig. Mijn belastingen zijn al zwaar genoeg.
Boos en gefrustreerd draai ik de Kaasrui in. Het geroezemoes van de straat sterft weg bij elke stap die ik zet. Een enkeling passeert mij zonder mij een blik waardig te gunnen. Waarom zou hij, de klootzak. Ik kijk even om om bevestiging te krijgen dat ik gelijk heb. Inderdaad, met gedreven pas loopt het individu voort, de hufter.
Ik steek mijn hoofd terug tussen mijn schouders terwijl ik met mijn linkervoet in een plas trap. In een reflex trek ik mijn voet terug maar te laat. Dat heb je dan in Antwerpen, zogezegd geen geld om de wegen en de voetpaden te onderhouden. Weggezakte dalles vormen kommen om het hemelwater op te vangen. De klootzakken van ‘t Stad noemen het ‘het karakter van de stad’. Het is authentiek plegen ze te zeggen.
Pesterij noem ik het. Ik mag dan van geluk spreken dat ik niet in een ‘karreke’ zit. Alhoewel ik vrees dat als ze niets aan de toestand verhelpen ik er wel eens in zal belanden. Door een ongelukkige val of zo, gestruikeld over een borduur die ongelijk ligt. Als het te gortig wordt hebben ze zeven man nodig om het te verhelpen, twee met een schop en de rest geeft aanwijzingen. Na het werk ligt de steen al iets gelijker maar nog niet helemaal. Volgend jaar wordt alles vernieuwd, naar het schijnt, volgens een of andere ‘roddel’. Pummels, één voor één.
Mijn Hush puppy, de schoen, is doorweekt. Het geplets dat ik bij elke stap veroorzaak weergalmt wel niet door de straat maar het enerveert enorm. Ik tel in stilte tot tien om te kalmeren.
De vrouw waarop ik wacht had allang hier moeten zijn geweest. Ik zou haar kunnen bellen met mijn mobiele telefoon ware het niet dat de batterij van zo een toestel toch op regelmatige basis dient opgeladen te worden. Zeker als je de bluetooth laat opstaan om verbindingen te zoeken.
Een café binnen stappen om te telefoneren en er iets consumeren kan ik ook niet doen. Mijn portefeuille steekt in mijn ‘andere’ natte broek met bankkaarten en al.
De regen valt nog altijd met bakken uit de lucht. Het drijft me zelfs een portiek in. Ik vraag mij af waarom want ik ben zeiknat, instinct veronderstel ik.
Enige minuten later neem ik het besluit om huiswaarts te keren. Ik verlaat het portiek en stap weer richting Suikerrui als een stem mij roept: “Mijnheer mag ik uw legitimatie zien?”.
Ik draai mij om en zie twee agenten voor mij. De ene ietwat achter de andere gepossioneert.
“Wij zijn u al een paar maal voorbij gereden en bij dit weer kan ik mij moeilijk voorstellen dat u met plezier hier rondloopt. Of vergis ik mij?” vraagt de eerste agent.
“Neenee, maar ik wacht hier op iemand.” probeer ik.
“Uw identiteitspapieren, aub?”
Naarstig tast ik in al mijn zakken naar mijn vergeten brieventas, louter voor tijdswinst. Gedurende het zoeken zie ik de tweede agent een verdedigende houding aannemen, hand op de matrak. Agent Eén blijft mij geconcentreerd aankijken.
“Ik vrees dat hij nog in mijn andere broek zit.” stamel ik.
“Geen probleem, mijnheer” zegt hij met de glimlach. Er lijkt een lichtje in de duisternis te schijnen voor mij. “Gaat u zonder verzet mee naar den bureau? Of hebt u graag hulp. Mijne collega wilt u graag assisteren, zene.” Het lichtje is terug uit.
Met de moed in de schoenen bevestig ik dat ik met ‘alle plezier’ wil meegaan.
“Volgt u maar, onze auto staat beneden aan de trappen aan parking ‘Brabo’.
Als een misdadiger loop ik tussen twee mannen in blauw.
Wanneer ik het politiebureau binnen kom word ik aangestaard door agenten en criminelen. In afwachting word ik op de bank geplaatst.
“Zeikweer” vloekt de agent die net binnenkomt. Met een ruk neemt hij zij kepie af om het water er af te zwieren. Dat de druppels in mijn gezicht belanden schijnt hem niet te deren.
Mijn geduld wordt zwaar op de proef gesteld.
“Hey meneer” roept een man met een stapel dossiers vanuit een deuropening. Ik kijk op om te zien of het wel voor mij is.
“Ja, ‘t is tegen u. Wie anders? Kom maar mee!” zonder mijn reactie af te wachten verdwijnt hij een gang in. Om niet meer moeilijkheden te krijgen volg ik hem vliegensvlug.
“Zet u” gebiedt hij mij terwijl hij zijn stapel dossiers op het bureel laat vallen. Zelf ploft hij in zijn bureaustoel die wat verder rolt en hij met kleine stapjes terug moet komen.
Met de muis tikt hij het correcte venster aan. Met twee en soms iets meer vingers begint hij op het klavier te tokkelen. Iets verder zie ik een flesje ‘Tipex’ staan. Zou hij … ? Nee, ik stel de vraag niet.
“Naam?”
“Luk Roodwater”
“Adres?”
Ik geef antwoord op alle vragen die hij stelt.
“Dus u stond op uw ex te wachten die uit vakantie zouden terugkomen met uw dochter. Maar het is ook niet de eerste keer dat ze te laat komt op de afspraak. Dit maakte u eigenlijk boos omdat u voor u naar huis zou gaan met uw dochter nog een ijsje wou gaan eten. Daar u geen mobieltje bij had kon u niet bellen om te vragen waar ze bleven. Heb ik het zo goed begrepen?”
“Volgens mij wel ja” bevestig ik.
“Dan mag u wat mij betreft beschikken. Probeer in de toekomst wel uw identiteitspapieren bij te hebben, we hebben al genoeg ‘sans-papier’ rondlopen. Kan ik nog iets doen voor u?”
“Zou ik misschien even mijn vriendin mogen bellen om mij hier op te pikken?”
De agent in burger draait zijn toestel naar mij. Ik kies het nummer en na drie tonen neemt Amanda op.
“Dag schat, kan je mij komen halen op het politiebureau? Ik leg het je straks wel uit.” flap ik eruit voor ze iets kan vragen.
Een kwartier later stapt zij de wachtkamer in. Vragend kijkt zij mij aan.
“Kijk niet zo, ik ben mijn portefeuille vergeten en daarom hebben ze mij ter controle meegenomen. Mijn auto staat nog aan de kade.”
“En wat moest jij daar dan doen?” vraagt zij nogal boos.
“Ik ging gewoon Carla op pikken, ik had dat zo afgesproken met Christine.”
“Dat heb je inderdaad afgesproken, lieveling.” schatert zij het uit “plaats is juist, tijd verkeerd. Ze komen pas morgen terug van die rondvaart langs Europese steden.”
Boos op mezelf stap ik naar de auto. Net voor ik het portier wil opendoen, stap ik met mijn ‘droge’ voet in een regenplas. Amanda onderdrukt met moeite een lach.
Er zijn van die dagen …

Topics: Verbaal geweld, Verhalen, Vrije Tijd | Comments Off
A Fantasy …
By L’Üdeaux | September 23, 2009
Kabouter Thomasj was zelfs naar kabouternormen klein van was. De gebruikelijke lengte van vijftien centimeter werd niet gehaald. Thomasj compenseerde zijn lengte met zijn pinnemuts. Net zoals andere wezens met verstandelijke vermogens, al dan niet in gebruik, hun te korten aanvullen met grote wagens of veel bling-bling.
De reden van de compensatie was niet zo zeer het gebrek aan materiële zaken of prestige. Driewerf neen, hij ging graag naar pretparken, voor kabouters en andere fantasie-wezens weliswaar. Zijn gestalte echter noopte hem tot attracties voor kabouterkinderen, elfjes en plaagzieke pixies. Deze arrogante schepsels durfden hem uitlachen om zijn gestalte en zij waren, zelfs de grootsten onder hen, nog kleiner dan hij maar zij waren van een ander ras.
Waar ik dus wil mee zeggen dat je geen appelen met peren mag vergelijken en dat er steeds met twee maten en twee nichten wordt gewerkt.
Toen hij, op zijn honderdenvijftigste verjaardag, tot volwasdom(raar woord trouwens. Het lijkt wel hoe ouder je wordt, hoe dommer?) werd gepromoveerd, mat hij nog maar twaalf centimeter. Nog steeds te klein dus voor de grotere, snellere of “gevaarlijke” actierit.
De pinnemuts in gerekte toestand bracht hem soelaas. Met het nodige stijfsel in de wastobbe van de pinnemuts en daarna goed opgestreken met een warm ijzer, bleek onze kleine vriend tien procent boven de minimum lengte te zitten.
Wij als mensen zouden eerder hoge hakken aan doen maar soit. Voor een kabouter is zijn hoofddeksel zijn alles, anders voelt hij zich naakt. Zelfs indien hij zijn winterjas zou aanhebben en ik kan u verzekeren zo een winterjas van kabouters, dat valt niet mee … te spotten. Een andere reden waarom zulke puntige mutsen worden gebezigd is omdat de kans dat een kabouter door de mens over zijn hoofd wordt gestreeld praktisch nihil is. Het risico op een verschot in de rug is hoog. Oja, stel u voor, een volwassen persoon, ongeacht de sekse, is gemiddeld tegenwoordig ongeveer een meter tachtig, de gemiddelde volwassen kabouter, zie ook voorgaande, een vijftien centimeter. Deze twee komen, om hypothetische redenen, elkaar tegen en merken elkaar ook op voordat het miniwezen per toeval onder de schoenzool terecht komt. De trots van de mensen gebiedt ons dan te bukken want voor zo een klein schepsel gaan wij zeker niet door de knieën. Gevolg een lumbago van hier tot in Tokio.
Thomasj’s hoofddeksel, om even terug te keren, werd dus vooral in erecte toestand gehouden door stijfsel. Niet dat hij daar goed tegen kon maar het was het middel waarbij het minste nadeel aan verbonden was.
Hij had zelfs eens geprobeerd met bijenwas. Dit bleek echter geen goed idee omwille van het feit dat je meestal naar een pretpark gaat wanneer de zon schijnt en het aanschuiven toch behoorlijk wat tijd vergt. Wanneer hij dan uiteindelijk op de bestemming aankwam, had hij een smurfenmuts op en mat hij weer te kort. Kabouter Icarus had hem nog zo verwittigd.
Ook ijzerdraad bracht niet de verhoopte oplossing. Een zomeronweer had daar voor gezorgd. De impact van dit gebeuren was niet onopgemerkt gebleven. Wekenlang hadden zij hem nageroepen “ kijk, een smurfke.” of “Dragen smurfen geen witte mutsen?” Boos had hij teruggeroepen dat dat koks waren.Met het verstrijken van de tijd kwam zijn lichtroze teint terug.
Het enige middel bleek dus stijfsel te zijn alhoewel dit ook bij warm weer, door het zweet vooral, jeuk en irritaties veroorzaakte. Hier hoeft dus weer geen betoog te komen waarom hij zijn muts dan niet afnam. Attracties, weet u nog?
De remedie kwam uit onverwachte hoek, meer bepaald uit de lager gelegen regionen voor zover men daar in kaboutertermen van kan spreken. Het bleek … (tikkende klok, seconden die voort schreiden, muziekje waardoor de spanning ten top wordt gevoerd) … doodeenvoudig … (nog niet geraden?) … “always” maandverband te zijn mits enige aanpassing uiteraard. Het klein genie plakte zo een half in de lengte doorgesneden maandverband in zijn muts ter hoogte waar zijn voorhoofd kwam. Het zweet werd geabsorbeerd, zelfs geurtjes en weg was de irritatie.
Eenmaal was hij vergeten het maandverband door te knippen. Toen de medekabouters hem daarop attendeerden, merkte hij terloops op dat het een zonneklep was en drukte met een vinger nonchalant het verband naar boven. Dit gebaar, bij wijze van groet, zou later door de Noord-Amerikaanse brownies uit het wilde westen overgenomen worden gevolgd door de woorden “howdie, what are you doing on my damned property, boy” met zwaar Texaans accent.
Thomasj beleefde nog vele mooie dagen in diverse attractie- en pretparken. Volgens de laatste berichten is zijn droom om in alle “rides” van de grote mensen wereld te gaan.
Mocht u volgende zomer in uw sandaal of schoen een een stekend voorwerp voelen (gesteven pinnemuts, begrijp je) ga dan naar de dichtst bijgelegen rollercoaster, schuif aan en gun kabouter Thomasj de tijd van zijn leven.
Weet ook dat kabouters wanneer ze in de grote mensenwereld vertoeven ze zich meestal als kiezeltjes vermommen.
Bedankt voor uw begrip en nog een prettige dag verder.
Kom Carla, we gaan een ijsje eten dan kan papa zijn voet wat masseren.

“te laat voor de vermomming.” Zoomfactor 20
Topics: Absurdismen, Verhalen | Comments Off








